Wie voor het eerst een training van Herman Verheul meemaakte, kon zich gemakkelijk afvragen of dit nu werkelijk de training was waarmee goede wedstrijdlopers werden gevormd. Vijftien keer 200 meter, maar niet voluit. Tien keer 400 meter, opnieuw beheerst. Voor de gevorderde lopers zes keer 1000 meter. Tussen die snellere stukken door werd niet een halve minuut stilgestaan, maar rustig doorgelopen. Vaak was de herstelafstand even lang als de afstand die daarvoor sneller was afgelegd.

Wie gewend was aan lange duurlopen, tempolopen en zware intervaltrainingen kon daar zijn twijfels bij hebben. Toch trainden bij het Utrechtse Phoenix jarenlang atleten op deze manier. Onder hen waren lopers die tot de Nederlandse top behoorden. De naam van de man achter die aanpak was Herman Verheul.

Geen intervaltraining zoals veel lopers die kennen

De afstanden klinken vertrouwd. Tweehonderd, vierhonderd en duizend meter zijn al tientallen jaren vaste onderdelen van intervaltraining. Het verschil zat vooral in de manier waarop Verheul ze liet lopen.

Een 200 meter was geen sprint. Een 400 meter hoefde niet zo hard mogelijk en ook de 1000 meters waren niet bedoeld om een loper aan het einde van de training volledig leeg te krijgen. De herhalingen moesten ontspannen worden uitgevoerd. Het tempo was belangrijk, maar de manier waarop iemand dat tempo liep minstens zozeer.

Verheul keek daarom veel naar zijn atleten. Hoe bewoog iemand? Bleef een loper ontspannen? Hoe zag de pas eruit wanneer het tempo iets omhoogging? Was er nog souplesse of begon iemand te forceren?

Daarmee week zijn benadering af van een trainingscultuur waarin belasting vaak vooral werd uitgedrukt in kilometers, tijden, hartslag en intensiteit. Verheul gebruikte natuurlijk ook een stopwatch, maar het getal daarop vertelde hem niet alles. De loper zelf vertelde hem minstens zoveel.

Veel herstel was geen toeval

Kenmerkend waren ook de lange herstelstukken. Na 200 meter volgde ongeveer 200 meter rustig herstel, na 400 meter opnieuw 400 meter en na de 1000 meters kon zelfs een volledige kilometer herstel volgen. Vaak werd direct na de snellere herhaling eerst een klein stukje gewandeld of werden de benen losgemaakt, waarna rustig verder werd gedribbeld.

Dat ruime herstel hoorde bij de methode. Het doel was niet om iedere volgende herhaling te beginnen terwijl de vermoeidheid van de vorige nog volop aanwezig was. De loper moest voldoende herstellen om opnieuw ontspannen te kunnen lopen.

Daarmee kreeg een training als 15 × 200 een heel ander karakter dan dezelfde vijftien herhalingen met korte pauzes. Op papier kunnen twee trainingen bijna hetzelfde lijken, terwijl ze in werkelijkheid iets heel anders van een atleet vragen. Dat is een van de redenen waarom de Methode Verheul gemakkelijk verkeerd kan worden begrepen wanneer alleen de afstanden worden overgenomen.

De training van morgen telde ook mee

Achter die relatief lichte intervaltrainingen zat een belangrijk uitgangspunt. Verheul sloot aan bij een principe dat ook de Hongaarse trainer Mihály Iglói gebruikte: een training moest niet zo zwaar zijn dat de atleet de volgende dag nog onvoldoende hersteld was.

Dat betekende niet dat er bij Verheul nooit hard werd gelopen. Wedstrijden speelden juist een belangrijke rol. Ook de fartlek, die vooral in de winter regelmatig op het programma stond, kon pittiger zijn. Maar de gewone trainingen hoefden niet voortdurend een aanslag op het herstelvermogen te zijn.

Daardoor konden zijn atleten vaak trainen. Niet iedere trainingsdag hoefde gevolgd te worden door een dag waarop de schade van de vorige training moest worden hersteld.

Dat idee is essentieel om de methode te begrijpen. Wie alleen ziet dat er weinig traditionele lange duurlopen werden gedaan, zou kunnen denken dat Verheul tegen omvang of duurvermogen was. Dat is te eenvoudig. Zijn lopers maakten door alle herstelstukken, inlopen, uitlopen, fartlek en wedstrijden wel degelijk kilometers. Alleen werden die kilometers anders verdeeld.

Meer dan 200, 400 en 1000 meter

De Methode Verheul wordt tegenwoordig gemakkelijk teruggebracht tot drie trainingsvormen: 15 × 200, 10 × 400 en 6 × 1000. Maar daarmee verdwijnt een groot deel van de oorspronkelijke praktijk uit beeld.

Gymnastiek speelde bijvoorbeeld een belangrijke rol. Voorafgaand aan het loopgedeelte werd uitgebreid bewogen, gerekt en geoefend. Verheul besteedde veel aandacht aan lenigheid, coördinatie en een soepele loopbeweging. In de winter kwam daar de fartlek bij, waarbij in een natuurlijke omgeving met verschillende tempo's werd gespeeld.

En dan waren er de wedstrijden. Voor veel wedstrijdlopers vormden die de momenten waarop werkelijk hard en langdurig werd gelopen. Waar een andere trainingsopvatting een zware tempoduurloop in het weekschema kon zetten, kon bij Verheul een wedstrijd een deel van die functie vervullen.

Daarom is het riskant om één training uit zijn systeem te halen en die vervolgens als de Methode Verheul te presenteren. Het ging om de samenhang.

Verheul is niet hetzelfde als de Souplessemethode

Daar komt nog iets bij. De oorspronkelijke methode van Herman Verheul en de latere Souplessemethode van Klaas Lok worden tegenwoordig vaak als hetzelfde beschouwd. Dat zijn ze niet.

Lok trainde jarenlang bij Verheul en bouwde later voort op diens ideeën. Veel uitgangspunten zijn daardoor herkenbaar gebleven: ontspannen intervalwerk, relatief ruime herstelstukken en aandacht voor souplesse. Maar Lok ontwikkelde het systeem verder en maakte andere keuzes. Zo veranderden onder meer bepaalde herstelafstanden en kwamen er trainingsvormen bij die niet tot de oorspronkelijke werkwijze van Verheul behoorden.

Dat maakt de Souplessemethode niet meer of minder juist. Het betekent alleen dat we historisch zorgvuldig moeten blijven. Wie wil weten hoe Herman Verheul zijn atleten trainde, moet proberen terug te gaan naar Verheul zelf en naar de mensen die daadwerkelijk bij hem trainden. Precies daar wil LoopMee de komende tijd naar op zoek.

Geen wondermethode

Het zou verleidelijk zijn om van Verheul een trainer te maken die tientallen jaren geleden al wist wat anderen pas veel later ontdekten. Ook dat zou te gemakkelijk zijn.

Sommige fysiologische verklaringen die destijds rond zijn methode werden gebruikt, bekijken we tegenwoordig anders. Over hartslag, lactaat, herstel en trainingsbelasting is sinds die tijd veel nieuwe kennis beschikbaar gekomen. Bovendien is er geen groot experimenteel onderzoek waarin de oorspronkelijke Methode Verheul als compleet trainingssysteem tegenover andere trainingsmethoden is gezet.

Dat hoeft ook niet om zijn ideeën interessant te maken. Juist de vragen zijn interessant. Waarom liet hij wedstrijdlopers zoveel relatief rustige intervallen lopen? Waarom kregen zij zoveel herstel? Waarom vond hij de beweging van een atleet zo belangrijk? Welke rol speelden wedstrijden? En wat gebeurde er met lopers die vanuit een heel andere trainingsachtergrond bij hem terechtkwamen?

Daarover bestaan oude publicaties, trainingsschema's, uitslagen en vooral herinneringen van mensen die erbij waren. Die bronnen kunnen elkaar bevestigen, maar soms ook tegenspreken. Dat hoort bij het reconstrueren van een trainingsmethode die nooit in een dik handboek door de bedenker zelf is vastgelegd.

Misschien is dat uiteindelijk wel het interessantste aan Herman Verheul. Zijn methode oogt op papier bijna eenvoudig: 200, 400, 1000 meter, veel herstel, gymnastiek, fartlek en wedstrijden. Maar achter die eenvoud zat iemand die voortdurend naar lopers keek. Niet alleen naar hoe snel ze liepen, vooral naar hoe ze liepen.

Bij Herman Verheul was het antwoord daarop vaak verrassend eenvoudig: eerst maar eens zorgen dat je goed loopt.

Over de bronnen

Dit artikel is gebaseerd op publicaties over de Methode Verheul, historische beschrijvingen van de trainingen en herinneringen van lopers en trainers die met de methode werkten. Waar bronnen van elkaar verschillen of een oorspronkelijke uitspraak van Herman Verheul niet is teruggevonden, vermelden we dat of laten we de vraag open.