Het moet halverwege de jaren negentig zijn geweest dat ik voor het eerst bij Herman Verheul op de training verscheen. Precies weet ik het niet meer. De aanleiding lag eigenlijk al een paar winters eerder, toen ik nog bij BAV liep.

Ik liep in die tijd regelmatig crosswedstrijden. Daar kwam ik ook atleten van Phoenix tegen. In de winter, in de modder en op de zwaardere parcoursen, kon ik met sommigen van hen goed meekomen. Soms bleef ik bij ze, soms liep ik zelfs voor ze.

Maar zo gauw de blaadjes weer aan de bomen kwamen, gebeurde er iets vreemds. Op de weg zag ik diezelfde lopers ineens bij me vandaan lopen. Niet een beetje. Ze liepen me voorbij en daarna zag ik ze pas bij de finish weer terug. Dat intrigeerde me. Hoe kon iemand die ik gedurende de wintercrossen nog kon volgen, enkele maanden later ineens zoveel sneller zijn?

Bij BAV had ik inmiddels een trainersdiploma gehaald, vooral omdat ik meer wilde begrijpen van trainen en de mogelijkheden daarvan. Ik had het nodige over trainingsleer geleerd en kende de theorie die vanuit de KNAU werd aangeboden. Niet alles daarvan nam ik zonder meer aan, maar het vormde wel de basis van waaruit ik naar training keek. Alleen verklaarde het niet wat ik bij die Phoenixlopers zag.

Wat deden die mannen anders?

Via een atleet van Phoenix hoorde ik meer over de manier waarop Herman Verheul zijn groep trainde. Er kwamen verhalen over 200 meters en 400 meters, lange herstelstukken en opvallend weinig van de traditionele duurtraining die ik kende. Later kwamen daar ook de 1000 meters bij.

Inmiddels liep ik bij AV Hermes in Utrecht, waar ik zelf ook training gaf. Mijn eigen niveau op de 10 kilometer lag vrij stabiel rond de 35 minuten. Af en toe dook ik daar net onder en verscheen er 34.59 op de klok.

Ik dacht dat ik inmiddels voldoende van trainingsleer wist om zelf eens uit te zoeken hoe die Methode Verheul werkte. Een winter lang heb ik het geprobeerd.

Ik liep de afstanden waarvan ik had gehoord en nam de herstelstukken die erbij hoorden. Alleen maakte ik een klassieke fout: ik liep de snelle stukken te snel. En als ik daarna moest herstellen, liep ik ook dat herstel te snel. Zonder dat ik het besefte, maakte ik van Verheuls training gewoon weer de intervaltraining die ik al kende.

Het resultaat was niet bepaald overtuigend. Ik werd zelfs iets langzamer. Op een gegeven moment vond ik dat ik lang genoeg zelf had aangemodderd. Als ik werkelijk wilde weten hoe Herman Verheul trainde, moest ik niet proberen zijn methode van horen zeggen na te bouwen. Dan moest ik naar Herman Verheul zelf.

Als introducé naar Phoenix

Ik kwam bij Phoenix terecht als introducé van Kees. Zijn achternaam weet ik niet meer. Herman wist volgens mij niet eens dat ik die avond zou komen.

Hij zette me niet onmiddellijk in zijn groep. Eerst moest ik een paar rondjes lopen. Herman keek. Dat kijken zou ik later beter leren begrijpen. Hij wilde zien hoe iemand liep voordat hij vertelde hoe diegene moest trainen.

Na die rondjes vroeg hij welke afstanden ik liep en wat ik dacht op dat moment op een 10 kilometer te kunnen lopen. Ik antwoordde dat ongeveer 35.30 realistisch moest zijn.

Daarna kwam mijn eerste opdracht: 15 × 200 meter in 57 à 58 seconden. Na iedere 200 meter moest ik 200 meter herstellen.

Ik weet nog goed hoe die eerste trainingen voelden. Ik dacht dat ik over mijn eigen voeten zou struikelen. Jee, wat langzaam.

Dat was natuurlijk precies het probleem. Ik was gewend een interval te beoordelen aan de snelheid waarmee ik hem liep. Een 200 meter moest voelen alsof je aan het trainen was. Nu moest ik ineens een tempo lopen waarbij ik het gevoel had dat ik mezelf voortdurend inhield.

Maar dat was de bedoeling. De 200 meters moesten ontspannen worden gelopen, in het voorgeschreven tempo en niet een paar seconden sneller, omdat ik dacht dat ik dat gemakkelijk aankon. Het herstel hoorde daar net zo goed bij. Even wandelen, de benen losmaken en daarna rustig dribbelen tot de volgende 200 begon.

Wanneer ik met de groep trainde, ging dat gemakkelijker. Er liepen mensen om me heen die precies wisten wat de bedoeling was en ik hoefde alleen maar mee te gaan. Alleen trainen was in het begin lastiger. Dan was er niemand die voorkwam dat je ongemerkt toch weer wat sneller ging.

Na een paar weken veranderde dat. Het tempo dat eerst belachelijk langzaam had gevoeld, begon normaal te worden. Ik hoefde niet meer voortdurend op de rem te staan.

In die eerste periode liep ik vrijwel iedere training 15 × 200 meter. Zes, soms zeven dagen per week. In het weekend kwam daar een fartlek bij, met korte stukken waarop het tempo wat omhoogging. Andere intervalafstanden kwamen later.

Met een meetwiel door Utrecht

GPS-horloges waren er niet. Wie precies 200, 400 of 1000 meter wilde lopen, moest weten waar die afstanden lagen. Dus ging ik met een meetwiel op pad.

In parken in en rond Utrecht, bij Maarsseveen en in Amelisweerd zocht ik routes waarop ik kon trainen. Met witte wegenmarkeringsverf zette ik aan de rand van het asfalt iedere 200 meter een klein stipje. Voor de 1000 meters had ik uiteindelijk een gemeten route die tot ongeveer vijftien kilometer doorliep.

Ik was overigens bepaald niet de enige. Op verschillende plekken in en rond Utrecht verschenen markeringen van lopers, soms in verschillende kleuren. We gebruikten elkaars gemeten routes. Je wist waar de 200, 400 of 1000 meter eindigde en had verder eigenlijk maar één instrument nodig: een stopwatch.

Die stopwatch was belangrijk, maar niet om voortdurend te bewijzen dat je sneller kon. Hij moest je juist tegenhouden.

Dat was voor mij misschien wel een van de moeilijkste lessen van Verheul: niet harder lopen omdat het kan. De voorgeschreven tijd was geen minimum dat je moest zien te verbeteren. Het was de tijd waarin je die herhaling hoorde te lopen.

Ga maar eens een 10 kilometer lopen

Na een week of zes begon ik me af te vragen waar dit naartoe ging. Ik liep mijn 200 meters, herstelde rustig en deed wat me werd opgedragen, maar ergens bleef natuurlijk de wedstrijdloper in mij zitten die wilde weten of het ook iets opleverde.

Na ongeveer zeven weken vond Herman dat het tijd was om dat te ontdekken. Ik moest maar eens een 10 kilometer in wedstrijdverband gaan lopen.

Omdat ik in die tijd ook lid was van het Waalse CS Dyle Genappe, kwam ik uiteindelijk in Mechelen in België aan de start. Welke wedstrijd het precies was en op welke datum die werd gelopen, weet ik niet meer.

Mijn tijd weet ik nog wel: 33.48.

Ik was meer dan een minuut sneller dan het niveau waarop ik daarvoor al langere tijd had gezeten.

Eén wedstrijd bewijst natuurlijk geen trainingsmethode. Misschien was het parcours snel, misschien waren de omstandigheden goed en misschien had ik die dag gewoon bijzonder goede benen. Maar voor mij persoonlijk gebeurde er wel iets belangrijks. Mijn scepsis was verdwenen.

Uitgerust van al die duurlopen

Bij de volgende training vertelde ik Herman natuurlijk wat ik in Mechelen had gelopen. Kees was erbij, net als Ben van Zundert en verschillende andere lopers uit de groep. Ze reageerden enthousiast. Ze waren oprecht blij met die enorme sprong vooruit.

Herman zelf reageerde anders. Voor zover ik me zijn woorden herinner, zei hij:

Oké, nu ben je uitgerust van al die duurlopen en gaan we echt trainen.

Daar stond ik dan. Ik had wekenlang vrijwel niets anders gedaan dan die in mijn ogen veel te rustige 200 meters, en nu vertelde de man die ze had voorgeschreven dat we nog moesten beginnen met trainen.

Maar ik was om.

Vanaf dat moment ging de ontwikkeling geleidelijk verder. Niet iedere wedstrijd leverde ineens minuten winst op. Vaak ging het om seconden. Training na training en seizoen na seizoen schoof mijn niveau op. Uiteindelijk zou ik op de weg 30.29 op de 10 kilometer lopen.

Als ik terugdenk aan mijn eerste kennismaking met Herman Verheul, denk ik daarom niet als eerste aan die 30.29. Ik denk aan 57 en 58 seconden. Aan de eerste keren dat ik met anderen mijn 200 meters liep. Aan het meetwiel waarmee ik door Utrecht trok, de witte stippen langs de weg en de stopwatch waarmee ik vooral moest voorkomen dat ik te hard ging. En natuurlijk aan Mechelen.

Ik was naar Phoenix gegaan omdat ik wilde begrijpen waarom die lopers die ik 's winters nog kon volgen, in het voorjaar ineens bij me vandaan liepen. Ik dacht dat ik daarvoor vooral een trainingsschema nodig had.

Herman Verheul leerde me iets anders. Een trainingsschema kun je overschrijven. Een trainingsmethode moet je leren begrijpen.

Jans op kop tijdens een wedstrijd in het kader van de Challange du Brabant Wallon (B)
Op kop tijdens de Tour Goidfroid du Boullion (12km) te Baisy Thy (B) · Foto: Challange du Brabant Wallon
Over de bronnen

Dit artikel is gebaseerd op mijn herinneringen aan het ontstaan en de ontwikkeling van LoopMee. Waar mogelijk heb ik namen, plaatsen en gebeurtenissen gecontroleerd aan de hand van bewaard gebleven bronnen. Het verhaal is geschreven vanuit mijn persoonlijke herinnering en pretendeert geen volledige geschiedschrijving van LoopMee te zijn.