Spiervezels

Slow- en Fasttwitch

Onze spiervezels bepalen voor een groot deel onze aanleg
Wellicht is het ook u reeds opgevallen dat er onderling tussen de mensen een enorm snelheidsverschil betstaat. De ene is tijdens een spurtje met geen stokken vooruit te krijgen, terwijl de andere met zevenmijlslaarzen de afstand overbrugt. Andersom is het meestal zo dat die energieke snelle jongen, reeds ongemakkelijk wordt, bij de gedachte dat hij bv 10 km moet hardlopen, terwijl de tweede dat juist plezant vindt en daar zijn gading in vindt.

Hoe komt het nu eigenlijk dat die ene een spurter is en de andere afstandsloper? Wel men bezit twee soorten spiervezels: type 1 of SLOW TWITCH en type 2 of FAST TWITCH-vezels.

Type 1 ook wel rode vezels genoemd, zijn de trage spiervezels. Zij contraheren veel trager dan type 2 ,en zijn daardoor uitstekend geschikt voor het langere, tragere werk dat hoofdzakelijk in zuurstofevenwicht gebeurd. Beschik je echter overwegend over type 2, dan ben je overwegend geschikt voor korte maximale inspanningen met snelle contracties, die overwegend gebeuren in anaërobe toestand (zuurstofschuld). Het is wel zo dat men het type 2-vezel nog eens kan opsplitsen in 2a,2b en 2c.

De 2a-vezels zijn geschikt voor de spurt, maar ook voor aërobe inspanning, zoals een 800m en 1500m. De energielevering gebeurt hier zowel aëroob als anaëroob. Deze vezel treft men niet aan bij ongetrainde personen en verkrijgt men enkel door te trainen naar die afstanden toe. De 2b-vezels treft men bij de zuivere spurters en sporters die werken met korte maximale inspanningen.

De 2c-vezel kan men eigenlijk nog ombuigen, hetzij naar type 1 of omgekeerd, wat wel moeilijker is. Het is dus gemakkelijker een spurter om te scholen naar een afstandsloper dan van een kilometervreter een sprinter te maken.
Gewoonlijk heeft een mens ongeveer evenveel type1 als type 2 -vezels, zodat hij ongeveer in dezelfde verhouding kan spurten als afstandslopen. Toch zijn er talenten die zonder training een baantje (100m) kunnen spurten in een goeie tijd, terwijl er ook kereltjes zijn die gemakkelijk een uurtje kunnen meelopen met een getraind atleet. Ze zullen dus van nature meer type 2 of type 1 -vezels bezitten, men noemt ze dus dan ook natuurtalenten.

Ons kunnen wordt begrensd door wat wij van de natuur aan potentiële mogelijkheden hebben meegekregen. Wat wij als sporter kunnen bereiken is genetisch reeds in de vrucht bepaald. Het is dus een fabel dat we door intensief en lang trainen even goed kunnen worden als de door de natuur begunstigde spurter of marathonloper. We kunnen wel het hoogst mogelijke bereiken binnen onze genetische beperkingen. En dat is wel hetzelfde, zowel voor het natuurtalent als voor de minder begaafde atleet.